Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Kerstnacht en de bijenhal


Er bestaat een oud volksverhaal, een mythe, een sprookje misschien, dat straks de bijen zingen; zacht zoemend, op kerstnacht. Zij 'weten' de winterwende: ze verheugen zich op het licht dat weer komen gaat. Wij ook en dan vast met onze oren dicht tegen de kast.

Deze 15e eeuwse miniatuur uit het Getijdenboek van de gebroeders Van Limburg laat besneeuwde bijenkorven zien. Onbeschermd in de strenge, gure vrieskou. De bijenhouders van toen hadden vertrouwen in hun bijen! Ze waren ook wel wat gewend. We weten nu dat die straffe lange Middeleeuwse winters met ijzige temperaturen, waarin de Kleine IJstijd begon, niet te vergelijken zijn met onze huidige 'zachte' winters.  

Kerstlegende

Volgens de legende staat in de Kerstnacht om 12 uur de tijd stil:

  • De bijen beginnen te gonzen in hun korven.
  • De haan kraait: “Christus natus est” (Christus is geboren).
  • De os hoort het en roept “Ubi, Ubi?” (waar, waar..?).
  • De geit blaat “Bèèhtlehem” terwijl de ezel balkt “Eamus, eamus” (laten we gaan).
  • De hele schepping is ontroerd. Boeren leggen op kerstavond hooi buiten de stal dat door de dauw van de kerstnacht gezegend wordt. Dit hooi krijgen de dieren op kerstmorgen als eerste te eten. Franciscus vroeg zijn medebroeders met kerst de dieren extra te voederen.

 Joeltijd of Twaalf Nachten

De Germaanse midwinterzonnewende viel aanvankelijk op 13, later op 25 december. Het langer worden van de dagen werd begroet met de feestelijke Joeltijd. De Romeinen vierden 25 december de geboortedag van de lthras, de onoverwinnelijke zonnegod. Oorspronkelijk werd de geboorte van Christus op het Epifanie-feest (drie koningen), op 6 januari gevierd maar op het concilie van Nicea, 325 jaar na de geboorte van Christus, werd besloten het kerstfeest op 25 december te vieren. De Joeltijd werd daarmee gekoppeld aan de kerstdagen. De periode tussen 25 december en 6 januari zijn de Joeltijd of Twaalf Nachten. Dit was ook de periode van de Rooknachten: goede geesten moesten gunstig gestemd worden met offergaven, slechte geesten werden verdreven met lawaai en rook. De offers aan de geesten maakten langzamerhand plaats voor het uitdelen van broden aan personeel en aan de behoeftigen. Huizen en stallen werden met wierook uitgerookt. Grote broden, die men boven de rook gehouden had werden op feestelijk gedekte tafels gelegd en verdeeld.

Het Joelblok, een groot blok hout, werd op Kerstavond aangestoken en moest tot Driekoningen brandend worden gehouden. Het hout moest bovendien besprenkeld worden met wijn en graankorrels. De bijen zoemden in deze kerstnacht in hun korven en onderbraken daarmee hun winterslaap. De dieren konden praten, maar je mocht er niet naar luisteren. Boeren legden een baal hooi op het erf, zodat het Kerstkind die kon zegenen. Op kerstmorgen kregen de dieren, die op stal stonden, van dit gezegende hooi te eten.